Delfts Symphonie Orkest

Klassiek speelt bij DSO!

Bruckner 5, een kathedraal van een symfonie

Deskundigen hebben altijd moeite om de persoon Bruckner te verbinden met zijn werk. Aan de ene kant is er de deemoedige, vrome, onopgesmukte en boerse mens Bruckner, anderzijds de componist van grootse en gedurfde muziek. Deze tegenstelling is echter schijn. De indrukwekkende koperkoralen weerspiegelen ontzag voor God, de vrolijke scherzo's herinneren aan het platteland waar Bruckner zijn wortels had. Zijn muziek opent weidse vergezichten op de natuur en de eeuwigheid, maar is vaak ook zeer vriendelijk en dorps. Wuftheid en sarcasme ontbreken in zijn werk: Bruckner bleef zijn leven lang een buitenstaander in de "grote wereld". Wanneer hij met muziek bezig was kwam hij in zijn kracht, daarbuiten was hij onzeker.

De vergelijking van Bruckners muziek met een kathedraal wordt regelmatig gemaakt, maar een kathedraal is vaak een wat kil stenen gebouw – zeker in het door de Beeldenstorm geteisterde Nederland - terwijl Bruckners muziek naast ontzagwekkendheid ook mildheid uitstraalt. Bruckner was jarenlang organist van de abdij van Sankt Florian, een klooster met de allure van een paleis – de bekendere abdij van Melk is een soortgelijk gebouw. In een dergelijke typisch katholieke grootse maar toch warm aandoende omgeving hoort deze muziek thuis.

Bruckners tijdgenoten hadden aanvankelijk grote moeite om zijn symfonieën te begrijpen en ook heden ten dage is dat voor veel luisteraars lastig. Dat komt doordat deze muziek zich niet zozeer organisch ontwikkelt, zoals bij de meeste van zijn tijdgenoten, maar ontworpen is vanuit een overkoepelend plan. Pas wanneer alle bouwstenen op hun plaats staan, aan het einde van het stuk, of na herhaaldelijk luisteren, is de logica duidelijk. Bruckner houdt ervan om muzikale ideeën als losse blokken naast elkaar te leggen, vaak met abrupte overgangen. Deze blokken worden wel een aantal malen herhaald, zodat de luisteraar er vertrouwd mee raakt. Dit is heel sterk te horen in het eerste deel van de 5e symfonie.

Het langzame deel van een symfonie van Bruckner is doorgaans het spirituele hart van het geheel, het "altaar". Het adagio van deze symfonie wordt gekenmerkt door een complexe combinatie van ritmes ("3 tegen 2"), breed gezongen melodieën, en naar het einde toe indrukwekkende koperkoralen, met gedurfde en soms verontrustende harmonische wendingen. Het derde deel, dat deels op dezelfde thema's gebaseerd is als het tweede, weerspiegelt de "boerse", vrolijke kant van Bruckner, met zijn gezellige walsjes waarbij hoorbaar flink op de grond wordt gestampt. De gezelligheid wordt wel afgewisseld met zeer energieke, bijna verbeten passages, Een sprookjesachtig trio is gesandwicht tussen het scherzo en zijn herhaling.

Bruckner studeerde lange tijd bij de vermaarde muziektheoreticus Simon Sechter, grotendeels via afstandsonderwijs. Zijn studie wierp zijn vruchten af, niet alleen voor zijn muzikale vermogens maar ook voor zijn maatschappelijke positie: hij werd zo goed in zijn vak dat hij zijn leermeester mocht opvolgen als docent aan het Conservatorium van Wenen. Nergens is Bruckners kennis van de formele kant van het componeren zo goed te horen als in de finale van de 5e symfonie. In dit doorwrochte en lange deel combineert hij op virtuoze wijze uiteenlopende vormen als fuga, koraal en sonatevorm tot een geheel eigen mix die onmiskenbaar Bruckner is. Maar waar deze muzikale vormen een hang naar het verleden verraden is de harmonie onmiskenbaar modern, met verregaande chromatiek. Voortdurend slaan de akkoordopeenvolgingen onverwachte wegen in. Het is alsof Bruckner Bach heeft gecombineerd met Richard Wagner, zijn grote idool. Maar ook de 9e van Beethoven komt om de hoek kijken: net als Beethoven laat Bruckner de thema's van de voorgaande delen eerst de revue passeren om uiteindelijk op het hoofdthema van het laatste deel uit te komen.