Uit Delftsche Courant, juni 2002

DSO superieur in Mozart, Strauss en Mahler

Hofkerk, Cort van der Lindenstraat

Delfts Symphonie Orkest o.l.v. Carl Brainich met Dorothy Grandia, sopraan. Werk van Mozart, Strauss, Mahler en Liszt. Gehoord: zaterdagavond.

door Rien Frohlich.

 

Mozarts ouverture Die Zauberflote, het Adagietto uit de Vijfde symfonie van Mahler, de Vier Letzte Lieder van Richard Strauss en diens blazersserenade: het zijn allemaal stukken waarvan de doorgewinterde muziekliefhebber de interpretaties van wereldberoemde dirigenten en orkesten minutieus vergelijken. Ze vragen, nee eisen, een superieure orkestcultuur en spanning die alleen aan toporkesten, solisten en dirigenten lijkt voorbehouden. Hoe haalt een Delfts Symphonie Orkest het eens zijn hoofd die muziek te willen spelen, en dan nog wel in één programma?

Maar met het DSO val je van de ene verbazing in de andere. Zaterdagavond nam het orkest in de Hofkerk de helft van de beschikbare ruimte in, zodat er voor het publiek maar weinig ruimte overbleef.

Bravogeroep

De ongeveer 200 bezoekers -gezien het potentieel in Delft zo'n duizend te weinig - lieten zich ook goed horen. Ze braken keer op keer uit een luid bravogeroep. Terecht: het gedreven spelende orkest, tot grote muzikale hoogte opgestuwd door dirigent Carl Brainich, gaf er alle aanleiding toe met uitvoeringen die je vaak de indruk gaven naar een professioneel ensemble te luisteren.

Om het Adagietto uit de Vijfde symfonie van Mahler (voor alleen harp en strijkers) met zoveel intense spanning en zoveel klank in het absolute niets te laten verdwijnen moet je van goede huize komen. En een blazersensemble dat je kippenvel bezorgt vanwege de sonore zuiverheid en de warme souplesse van de klank waarmee het de Serenade voor blazers op. 7 van Richard Strauss spelen is een unicum voor een amateurorkest.

Goed, voor een mooi klankbeeld had de tuba in die Serenade beter een pregnante, minder wollige contrabas kunnen zijn. Maar voortreffelijk bespeeld werd die tuba wel. Zo kreeg deze vroege Strauss de lichtvoetige charme van de dans, wiegend en meeslepend. Groter complimenten kan de strijkers en blazers van het DSO en hun dirigent niet worden gemaakt.

Aansluiten

Dorothy Grandia maakte hij haar debuut bij het DSO, vorig jaar, grote indruk met de slotscène van Wagners Tristan und Isolde. Een prachtige dramatische sopraan met een glanzende stem en een uitzonderlijk dynamisch bereik zonder één rafeltje.

Wie graag meer van haar wilde horen werd zaterdagavond op zijn wenken bediend met de Vier Letzte Lieder van Richard Strauss, zijn laatste, in ballingschap geschreven werk dat op last van hemzelf pas na zijn dood voor het eerst werd uitgevoerd.

Dat gebeurde in 1950 in Londen, door Kirsten Flagstad werd de legendarische dirigent Wilhelm Furtwangler. Alleen heel groten waagden zich er daarna aan: Elisabeth Schwarzkopf bijvoorbeeld, Jessey Norman en onze eigen Jard van Nes.

Dorothy Grandia kan zonder enig voorbehoud in deze rij aansluiten. Dorothy Grandia interpreteerde de liederen op teksten van Hermann Hesse, zoals het hoort vanuit de tekst, in een schitterende dynamische balans met het orkest. Dat speelde fabuleus en schitterend van klank en werd door Brainich strak aan de teugel gehouden. Het vertaalde zich aan het slot in secondenlange stilte voor het applaus en de bravo's losbarstten.

Heroïsch

Het programma opende met Mozarts ouverture Die Zauberflöte, een stuk dat het ook al van sonoriteit (van de blazers) en precisie (van de strijkersnootjes) moet hebben. Het behoeft eigenlijk geen betoog meer: dat was voor elkaar. Ook de verraderlijke Mozart kan het DSO dus aan.

Les Préludes van Liszt tenslotte werd door dirigent Carl Brainich kennelijk niet gezien als opmaat tot de brallerige fanfare waarmee de Nazi's in de Tweede Wereldoorlog hun 'Sondermeldungen' inleidden, maar zoals de Franse dichter Lamartine Liszt leerde tegen het contrast tussen oorlog en landelijke idylle aan te kijken: heroïsch en dromerig.

Les Préludes werd daarmee een stuk acceptabeler en aantrekkelijker. Hier kreeg het voltallige orkest gelegenheid om te schitteren en die kans greep het met alle instrumentalisten aan.

Wanneer mag dit prachtige orkest kan zich eindelijk in Delft in een echte concertzaal laten horen? Of moeten ze, net als Krashna, naar het Concertgebouw in Amsterdam?