Brahms: Akademische Festouvertüre

Remco Mostert

In 1880, toen hij al een componist van naam en faam was, kreeg Brahms het bericht dat de universiteit van Breslau (het tegenwoordige Wroclaw in Polen) hem een eredoctoraat had aangeboden. Hij had al eerder een eredoctoraat aangeboden gekregen door de universiteit van Cambridge, maar had geweigerd de onderscheiding in ontvangst te nemen omdat hij niet van zeereizen hield. Brahms had een enorme hekel aan officiële plichtplegingen en probeerde zich er ook ditmaal vanaf te maken met een eenvoudig bedankbriefje. De dirigent die hem voor de onderscheiding had voorgedragen, Bernard Scholz, wist hem ervan te overtuigen dat dat toch niet voldoende was. De universiteit verwachte toch minstens een mooi muziekstuk als tegenprestatie. "Componeer een mooie symfonie voor ons, maar goed georkestreerd ouwe jongen, niet te dik en uniform". Brahms voldeed aan de opdracht en componeerde geen symfonie, maar een ouverture, "een zeer luiddruchtige potpourrie van studenten-drinkliederen in de stijl van [Franz von] Suppé". En, alsof zoveel vrolijkheid niet ongestraft mocht blijven, componeerde hij meteen een tegenhanger, de Tragische Ouverture. Op 4 januari 1881 dirigeerde hij zelf de première in Breslau op een speciale bijeenkomst van de universiteit. Nu mocht hij zich officieel "Doctor Brahms" noemen, een titel waarmee hij door anderen vaak werd aangesproken, maar die hij zelf, bescheiden en nuchter als hij was, steevast weigerde te gebruiken.

De Akademische Festouvertüre is academisch in meerdere opzichten. In de eerste plaats door de studentenliederen (vier in getal) die achtereenvolgens als thema's worden gebruikt. Brahms volgde in zijn jonge jaren ooit een zomercursus aan de universiteit, dus het studentenleven was hem niet geheel onbekend. Deze liederen worden door de componist op een listige manier tot een geheel verweven - een verwijzing naar de tweede betekenis van "academisch" in de zin van "geleerd" of "vernuftig". De Ouverture was voor Brahms een gelegenheid om de geleerde heren zijn beheersing van de formele kant van het componeren te laten zien en daarin slaagt hij voortreffelijk. Zelfs de moeder van alle studentenliederen, "Gaudeamus Igitur", weet hij een contrapuntische behandeling te geven. Een derde, negatieve betekenis van het woord "academisch", namelijk "dor en fantasieloos", is hier gelukkig niet van toepassing. De muziek is afwisselend feestelijk, warm en geestig, maar blijft een weerspiegeling van Brahms' persoonlijkheid. Daardoor blijft de muziek, hoewel feestelijk, toch op een bepaalde manier gematigd en ingehouden, zoals de componist dat zelf ook was.