Remco Mostert
Hartstochten horen niet bij de mens als iets natuurlijks. Ze zijn altijd uitzonderingen of uitwassen. Degene bij wie ze de maat overschrijden moet zichzelf als ziek beschouwen en door artsenij voor zijn leven en gezondheid zorgen. Hartstochten moeten snel vergaan, of men moet ze verdrijven.
Aldus Johannes Brahms in een brief uit 1857, ruim een jaar na de
dood van zijn vriend en mentor Robert Schumann. Brahms’
vriendschap met Schumann en zijn vrouw, de beroemde concertpianiste
Clara Wieck, had voor hen alle drie een zeer grote betekenis gehad. Ze
hadden het gevoel in elkaar een zielsverwant te zijn
tegengekomen. Echter, al vrij kort na zijn kennismaking met
Brahms ging Schumann’s geestelijke gezondheid ernstig achteruit.
Na een zelfmoordpoging werd hij opgenomen in een gesticht, waar hij
twee jaar later stierf. Brahms hielp Clara en haar acht kinderen met
raad en daad tijdens Robert’s ziekte en trok zelfs in haar huis
in. Gedurende deze periode begon hij in toenemende mate
hartstochtelijke gevoelens voor Clara te ontwikkelen, waarvan tot op
heden onduidelijk is in hoeverre ze beantwoord werden.
Na Schumann’s dood begon Clara zich duidelijk afstandelijker op
te stellen, wat Brahms niet ontging. Getuige het citaat hierboven
probeerde hij zich van zijn gevoelens voor Clara los te maken en in het
reine te komen met de realiteit dat hij haar nooit zou krijgen. Dat
lukte hem uiteindelijk, maar zijn band met Clara bleef zijn leven lang
zeer vriendschappelijk, en ook zijn respect voor Robert
Schumann’s werk en persoon bleef zeer groot.
In 1883, toen hij 50 jaar oud was en een beroemd musicus maar tevens
een verstokt vrijgezel, schreef Brahms zijn 3e symfonie. Deze symfonie
lijkt, meer dan de andere drie die hij schreef, een eerbetoon aan
Robert Schumann en tegelijk een weemoedige herinnering aan de tijd
waarin hij in Clara’s nabijheid was.
Het werk opent met een motief van 3 noten: F – As – F, wat
een muzikale omzetting is van Brahms’ persoonlijke motto
“Frei aber froh`, wat zoveel wil zeggen als: vrijgezel maar
gelukkig. Het motto staat echter in mineur (vanwege de As). Is hij
misschien toch minder gelukkig met zijn ongehuwde staat dan hij zegt?
Gelijk daarna zet het eerste thema van het eerste deel van de symfonie
in, dat een letterlijk citaat is uit de 3e symfonie van Schumann.
Meteen al verbindt hij zijn eigen persoon met die van Schumann. Nog
enkele keren in deze symfonie zullen deze thema’s samen
terugkeren, en zowel het eerste als het laatste deel van de symfonie
sluiten ermee af. Opmerkelijk is dat alle vier de delen van de symfonie
rustig eindigen: zeer ongebruikelijk in de tijd waarin de symfonie
geschreven werd (mogelijk zelfs de eerste keer dat dit gebeurt). Alle
delen eindigen in een sfeer van berusting of zelfs weemoed –
vooral de middendelen.
Het tweede en het derde deel maken duidelijk waarom de orkestwerken van
Brahms ook wel “een hogere vorm van kamermuziek” worden
genoemd. De orkestratie is bescheiden, wat de muziek een intiem
karakter geeft. Vooral het derde deel is zeer beroemd door haar
melancholieke karakter met een belangrijke solo voor het Duitse
romantische instrument bij uitstek, de hoorn.
Het laatste deel begint ingehouden, maar barst plotseling woest uit, en
behoudt haar onstuimige karakter lange tijd. Een belangrijke rol in dit
deel speelt het twee hoofdthema uit het tweede deel, dat daar door
klarinet en fagot is geïntroduceerd, maar nu een grimmige
uitwerking krijgt met veel koper. Uiteindelijk komt de muziek tot rust,
en dan duikt ook het “frei aber froh” thema weer op. Het
laatste woord is tenslotte opnieuw voor Schumann’s thema, maar de
stoerheid uit het eerste deel heeft plaats gemaakt voor berusting. Als
een ondergaande zon op een mooie herfstavond komt de symfonie tot haar
voltooiing. De tijden van weleer zijn voorgoed voorbij…