Martinů: Rhapsody-Concerto voor altviool en orkest

Remco Mostert

Vraag: waarom is de altviool niet te horen op moderne digitale opnames?
Antwoord: omdat de techniek tegenwoordig zover gevorderd is dat alle hinderlijke ruis wordt verwijderd.

Over geen enkel muziekinstrument bestaan zo veel moppen als over de altviool. Op het internet zijn hele lijsten te vinden met grappen over instrumenten, en over de altviool bestaan er ongeveer evenveel als over alle andere instrumenten samen. Het imago van de altviool en haar bespelers is niet altijd even gunstig geweest. Weliswaar maakt het instrument al sinds mensenheugenis deel uit van het symfonieorkest. Toch werd het in het verleden vaak gezien als een instrument voor luie en minder bekwame musici en nogal eens veroordeeld tot het spelen van saaie, nauwelijks hoorbare tussenstemmen. Mensen die weinig verstand hebben van klassieke muziek weten vaak niet eens dat er naast de viool ook een altviool bestaat. Door de eeuwen heen zijn er wel componisten geweest die de geheel eigen, donkere klank van dit instrument hebben weten te waarderen. Maar tot het begin van de 20e eeuw hebben slechts weinigen aan deze waardering gevolg gegeven door er een soloconcert voor te schrijven..

Het gebruik van de altviool als solo-instrument is voor componisten niet vanzelfsprekend. Vergeleken met de “gewone” viool is de klank donkerder en minder prominent, zodat de alt gemakkelijker wordt weggespeeld door een orkest. Zowel in de orkestratie als tijdens de uitvoering moet daarmee rekening worden gehouden. Door de inspanningen van virtuoze altviolisten als Lionel Tertis, William Primrose en Paul Hindemith kreeg het instrument in de moderne tijd ook als solo-instrument eindelijk waar het recht op heeft: componisten begonnen solomuziek voor altviool te schrijven.

Een van de componisten uit de twintigste eeuw die een belangrijk altvioolconcert schreven is Bohuslav Martinů. Hij was geen altviolist maar hij had er een kunnen zijn, gezien zijn rustige en pretentieloze karakter. Martinů werd geboren in het huidige Tsjechië, maar vertrok al snel naar Parijs, waar hij in contact kwam met de moderne muziekstromingen van de jaren twintig (jazz, neoclassicisme). Hij verwerkte deze stijlen in zijn muziek, maar pas in de loop van zijn leven zou hij een eigen stem ontwikkelen. Dit is vooral het geval na zijn vlucht naar de Verenigde Staten in 1940. Daar zou hij in 1952 het Rhapsody-Concerto voor altviool schrijven. Het werk is karakteristiek voor de “late stijl” van Martinů, die zelf drie zeer verschillende inspiratiebronnen voor zijn muziek noemde: het impressionisme van Debussy, de madrigalen uit de Renaissance, en de ritmes van de Tsjechische volksmuziek. Het concert bestaat uit twee delen: het eerste deel is vooral lyrisch, het tweede meer geagiteerd.