Remco Mostert
Max Bruch is een van die componisten die door slechts een
klein
aantal werken van de vergetelheid zijn gered. In feite is die redding
zelfs te danken aan één stuk: het Eerste
vioolconcert,
dat een van de meest gespeelde soloconcerten in het klassieke
repertoire is. Als hij nog geleefd had zou hij zich misschien wel
geërgerd hebben: waarom spelen ze altijd alleen maar
dát
stuk? Er zijn niettemin nog twee werken van Bruch die regelmatig op het
programma staan: de Schotse Fantasie voor viool en orkest, een charmant
stuk, en het Kol Nidrei voor cello en orkest, een waardevolle
aanvulling op het niet zo heel erg grote solorepertoire voor cello.
De muziek van Bruch is stevig geworteld in de Romantische traditie en
bevindt zich aan de behoudende kant van die traditie. Hij was een
tijdgenoot van Brahms en het is dan ook niet vreemd om in zijn
klanktaal overeenkomsten met die componist te zien. Maar er zijn ook
raakvlakken met het werk van Mendelssohn. Zijn muziek is welluidend en
je vraagt je af waarom het merendeel van zijn werk in de vergetelheid
is geraakt. Misschien miste hij net dat kleine beetje durf en
originaliteit dat hem had kunnen laten doorstoten naar de top.
Het Eerste vioolconcert, dat de twee andere vioolconcerten van Bruch
totaal heeft overvleugeld in bekendheid – hoewel de componist
het
zelf de minste van de drie vond – heeft zijn roem niet ten
onrechte gekregen, want het is een prachtig stuk. Bruch had het stuk
aanvankelijk een fantasie willen noemen, wat tot uitdrukking komt in de
structuur van het werk, die losser is dan de traditie voorschrijft. Zo
is er de vloeiende overgang van het eerste naar het tweede deel, en
ontbreekt een werkelijke grote cadens voor de solist.
De eerste versie van het vioolconcert voltooide Bruch in 1866 en deze
ontving ook een uitvoering, maar de componist was er niet tevreden mee.
Met hulp van de beroemde violist Joseph Joachim (de
boezemvriend
van Brahms) herzag hij het werk en twee jaar later gaf Joachim zelf de
première van de nieuwe, definitieve versie.